Hoe insuline toedienen
Het is normaal dat u bang bent om uzelf een injectie toe te dienen, vooral wanneer de insulinebehandeling nog helemaal nieuw is voor u. Uw angst is wellicht deels een 'angst voor het onbekende', omdat u niet goed weet wat u te wachten staat. U zult al gauw merken dat u went aan uw nieuwe behandeling, dat ze deel gaat uitmaken van uw leven en dat ze uw dagelijkse routine nauwelijks verstoort. Uw diabetesteam zal u begeleiden en leren hoe u de insuline gebruikt. Zelf zult u tal van manieren ontdekken om de injecties minder pijnlijk te maken, zodat u er zo weinig mogelijk last van ondervindt.
Zijn de insuline-injecties nieuw voor u, vraag uw diabetesteam dan om u te tonen hoe het moet. De volgende tien stappen voor het toedienen van insuline vormen een goede leidraad. Van uw medisch team krijgt u waarschijnlijk vergelijkbare richtlijnen.
- U moet de huid niet ontsmetten, maar een goede hygiëne is belangrijk. Was dus uw handen vóór de injectie.
- Spuit een klein beetje insuline in de lucht, zodat u zeker bent dat de naald gevuld is met insuline.
- Kreeg u de raad om de 'huidplooitechniek' te gebruiken, trek de huid dan omhoog tussen uw duim en wijsvinger.
- Zorg ervoor dat de naald op de juiste manier is gedraaid, met het scherpe uiteinde in de richting van de huid en de naaldopening naar boven gericht.
- Hou de naald onder een hoek van 90° tegenover het huidoppervlak.
- Hou de huidplooi vast en injecteer de insuline.
- Gebruikt u een insulinepen, tel dan traag tot 10 om te voorkomen dat er insuline uit de naald lekt. Als u een injectienaald gebruikt, hoeft u slechts enkele seconden te wachten.
- Trek de naald terug.
- Laat de huidplooi los.
- Gooi de naald weg in een afvalbak voor scherpe voorwerpen.













