OneTouch®
Creating a world without limits

Zwangerschap en kinderen krijgen

Zwangerschap en kinderen krijgen

Denkt u eraan om zwanger te worden, vertel dit dan aan de medewerkers van uw diabetesteam. Zij zullen proberen om uw diabetes goed onder controle te krijgen vóór u zwanger wordt. U moet een beroep kunnen doen op hun advies en bijstand. Vrouwen wachten beter om zwanger te worden tot ze twintig zijn, omdat tienerzwangerschappen verhoogde medische risico's met zich meebrengen, zowel voor de baby (vroeggeboorte, complicaties bij de pasgeborene) als voor de moeder (bloedarmoede, eclampsie of pre-eclampsie).

Eén van de eerste dingen die een vrouw met diabetes en haar familie zich afvragen, is of ze kinderen zal kunnen krijgen. Zwanger zijn vormt in zekere zin voor elke vrouw een belasting, maar er is geen reden om vrouwen met diabetes af te raden om kinderen te krijgen. Een zwangerschap heeft geen invloed op het risico dat een vrouw loopt om op latere leeftijd diabetescomplicaties te ontwikkelen. Van de kinderen die in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten worden geboren, heeft ongeveer 0,3% een moeder met diabetes. In zo'n 70% van de gevallen heeft de moeder diabetes type 1. Zwangerschapsdiabetes (een tijdelijke vorm van diabetes die tijdens de zwangerschap ontstaat) komt voor bij 3-5% van de zwangerschappen. Over het algemeen verdwijnen de symptomen van diabetes in dat geval na de geboorte, maar deze vrouwen lopen een verhoogd risico (40-60%) om op latere leeftijd diabetes type 2 te ontwikkelen.

Indien de bloedsuikerspiegel van de moeder hoog is, bestaat het risico dat de ongeboren baby hiervan nadeel ondervindt. Houdt de moeder haar bloedsuikerspiegel echter goed onder controle en had ze op het ogenblik van de bevruchting en in het begin van de zwangerschap een HbA1c-waarde die vergelijkbaar is met die van mensen zonder diabetes, dan is het risico op geboorteafwijkingen of miskramen volgens bepaalde studies niet groter dan gemiddeld, zelfs wanneer de moeder af te rekenen heeft met diabetescomplicaties. Het risico verhoogt naarmate de HbA1c-waarde stijgt en bedraagt bijna 25% (!) wanneer de HbA1c-waarde boven 11% ligt. Het is dus heel belangrijk dat u uw zwangerschap goed plant - als dat mogelijk zou zijn - en dat u ervoor probeert te zorgen dat uw HbA1c-waarde lager is dan 7% vóór u zwanger wordt. Recentere studies geven aan dat dit percentage misschien niet laag genoeg is.

Een Britse studie stelde een belangrijke geboorteafwijking vast bij 4,2% van de kinderen van moeders met diabetes. Bij de algemene bevolking bedraagt dit percentage 2,1%. Een vierde van de vrouwen die een kind met een geboorteafwijking kregen, had een HbA1c-waarde van minder dan 7% na 13 weken zwangerschap. Maar zelfs als uw HbA1c-waarde tijdens uw zwangerschap hoog is, betekent dit niet noodzakelijk dat er iets mis zal zijn met uw baby. Vijftig procent van alle vrouwen met een hoge HbA1c-waarde (meer dan 10%) heeft vrij normale zwangerschappen.

Belangrijke misvormingen zijn meestal op te sporen via een echografie of een bloedtest. De baby's van vrouwen met diabetes type 2 lopen een vergelijkbaar risico op geboorteafwijkingen en problemen bij de geboorte als baby's van vrouwen met diabetes type 1. Zelfs vrouwen bij wie tijdens de zwangerschap diabetes wordt vastgesteld (zwangerschapsdiabetes), lopen een verhoogd risico op geboorteafwijkingen en problemen bij de bevalling. Deze risico's houden evenwel verband met diabetes bij de moeder en zijn niet van toepassing wanneer alleen de vader diabetes heeft.

De insulinebehoefte kan afnemen in het begin van de zwangerschap, vooral als de moeder vaak misselijk is. Daarna neemt de vereiste hoeveelheid insuline gestaag toe tot kort vóór het einde van de zwangerschap (36-38 weken). Op dat ogenblik kan de insulinebehoefte bijna verdubbeld zijn in vergelijking met de periode vóór de zwangerschap. Dit wordt deels veroorzaakt door de gewichtstoename tijdens de zwangerschap, maar ook door de hormonen die de placenta afscheidt. Deze hormonen beperken de werking van de insuline die de bloedsuikerspiegel moet verlagen. De gemiddelde gewichtstoename tijdens de zwangerschap bedraagt ongeveer 11-12 kg maar verschilt sterk van vrouw tot vrouw.

Hoewel een zwangerschap oog- en nierschade kan versnellen, blijkt uit de DCCT-studie dat deze schade na het einde van de zwangerschap omkeerbaar is. Indien de nieren van de moeder door haar diabetes beschadigd zijn, stijgt het risico op groeivertraging van de foetus en vroeggeboorte aanzienlijk.

Korte perioden van hypoglycemie zijn niet gevaarlijk voor het ongeboren kind. Ernstige hypoglycemische episoden die met stuipen of bewusteloosheid gepaard gaan, kunnen echter gevaarlijk zijn. Een lage bloedsuikerspiegel kan de ochtendmisselijkheid tijdens de zwangerschap verergeren. Maar wie zich erg misselijk voelt, heeft het vaak moeilijk om regelmatig te eten en krijgt dus last van hypoglycemie. Zo ontstaat al gauw een vicieuze cirkel. Een insulinepomp kan erg nuttig zijn om deze problemen zoveel mogelijk te beperken.

De glucose in het bloed van de moeder komt via de placenta makkelijk in het bloed van de ongeboren baby terecht. Op die manier verbruikt de baby voortdurend een groot deel van de glucose van de moeder, waardoor zij dus het risico loopt om een hypo te krijgen wanneer ze niet regelmatig eet. Het kan dus nodig zijn dat zij in de loop van de dag meer tussendoortjes eet. Ook neemt het risico op nachtelijke hypo's toe.

Indien de bloedsuikerspiegel van de moeder gestegen is, komt een deel van de glucose via de placenta bij de baby terecht. Die kan zelf via zijn pancreas voldoende insuline aanmaken om die extra suiker aan te kunnen. Omgekeerd kan de baby de aangemaakte insuline niet via de placenta naar de moeder sturen. Wanneer de moeder tijdens een groot deel van de zwangerschap een hoge bloedsuikerspiegel heeft, groeit de baby sneller dan hij zou moeten en heeft hij overgewicht tegen de tijd dat hij wordt geboren. Dit kan voor problemen zorgen bij de bevalling.

Zelfs wanneer de HbA1c-waarde tijdens de zwangerschap mooi onder controle wordt gehouden, kan de baby overgewicht hebben tegen de tijd dat hij wordt geboren. De bloedsuikerspiegel na de maaltijden zou volgens één studie zeer belangrijk zijn. Daarin werd aanbevolen om te streven naar een bloedsuikerspiegel van ongeveer 7,3 mmol/l één uur na de maaltijd. Bij een lager niveau was er een zeker risico dat de baby een lichte groeiachterstand zou oplopen in plaats van bij te komen tegen de tijd dat hij werd geboren.

De bloedsuikerspiegel moet tijdens de weeën en de bevalling zo normaal mogelijk zijn, aangezien een hoge bloedsuikerspiegel een verhoogde insulineproductie bij de ongeboren baby veroorzaakt. Daardoor is de baby minder goed opgewassen tegen het gedeeltelijke zuurstofgebrek dat zelfs een normale bevalling met zich meebrengt. Wanneer de navelstreng wordt doorgeknipt, blijft de baby zeer veel insuline aanmaken waardoor zijn bloedsuikerspiegel gaat dalen. Het kind van een moeder met diabetes wordt daarom zorgvuldig in de gaten gehouden met extra bloedtests. Wordt de baby hypoglycemisch, dan krijgt hij intraveneus glucose toegediend. De baby krijgt in het begin, wanneer de borstvoeding van de moeder nog niet op gang is gekomen, ook extra voeding.

De dagelijkse insulinebehoefte van de moeder neemt na de bevalling snel af en zit al na een week weer op het niveau van vóór de zwangerschap. Moeders die borstvoeding geven, moeten hun insulinedosis meestal afbouwen tot minder dan de hoeveelheid van voor de zwangerschap om hypo's te voorkomen. Indien zij hun dosis niet sterk verminderen, lopen ze het risico om een ernstige hypoglycemie te krijgen. Na enkele weken of maanden bereikt hun insulinedosis weer het niveau van vóór de zwangerschap. Borstvoeding verlaagt de bloedsuikerspiegel en vóór of tijdens elke voeding is vaak een koolhydraatrijke snack nodig. Ook avondlijke of zelfs nachtelijke tussendoortjes kunnen noodzakelijk zijn.

 


Wat is uw naam?
Uw e-mailadres?

Uw bericht

Emailadres van uw vriend?


Uw emailadres:
Uw naam:


Dit artikel kreeg score
op basis van 6 stemmen.

Wat is uw score?