Bent u pas begonnen met een insulinebehandeling, dan beperkt uw ervaring met injecties zich waarschijnlijk tot enkele veeleer pijnlijke herinneringen. De enige ervaring die de meeste mensen met injecties hebben, is de lange naald die in hun ader of spier wordt gestoken bij een bloedafname of inenting. Voor insuline-injecties worden kleinere naalden gebruikt en vele mensen vinden de injecties na verloop van tijd helemaal niet pijnlijk meer. Uw diabetesteam zal u tonen hoe u insuline moet toedienen. Onderstaande tips helpen u omde injecties minder onaangenaam te maken.
- Bewaar de insuline die u momenteel gebruikt op kamertemperatuur. Het injecteren van koude insuline kan onaangenaam zijn.
- Gebruik geen botte naalden en denk eraan om de naald te vervangen als u een insulinepen gebruikt.
- Probeer afwisselend op verschillende plekken te spuiten. Zo voorkomt u vetophopingen (lipohypertrofie) die de injecties pijnlijker maken en de opnamesnelheid van de insuline vertragen.
- Kies een 'vlezig' stuk van uw lichaam waar wat vetweefsel zit (bv. dijen, billen of onderbuik). Die plaatsen zijn minder gevoelig dan gespierdere plekken.
- Zorg ervoor dat de naald op de juiste manier is gedraaid, met het scherpe uiteinde in de richting van de huid en de naaldopening naar boven gericht.
- Controleer hoe gevoelig het gekozen plekje is door de naald zachtjes tegen de huid te drukken.
- Vindt u de injecties pijnlijk, probeer de huid dan vooraf te verdoven met een ijsblokje.
- Pak de huid vast tussen uw duim en wijsvinger: zo voorkomt u dat u in de spier spuit, wat onaangenaam kan zijn.
- Steek de naald snel in de huid. Als u pas met insuline bent gestart, neemt u misschien liever de tijd. Maar het kan pijnlijker zijn als u dit traag doet.
- Vraag uw diabetesteam om u verder te adviseren, zodat u bij de injecties zo weinig mogelijk pijn hebt.